middelpunt

onzijdig (het)/ˈmɪdəlˌpʏnt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. wiskunde (wiskunde) (van een cirkel of bol) het punt dat tot alle punten op de omtrek dezelfde afstand heeft
  2. figuurlijk (figuurlijk) centrale plaats waar veel om draait
    En elke natie heeft haar middelpunt in zichzelf, schreef Herder.
    Dat verklaart waarom elk individu, dat volledig opgaat in een oneindige wereld en daarin tot niets wordt gereduceerd, zich niettemin tot middelpunt maakt van de wereld, zijn eigen bestaan en welzijn boven al het andere stelt en zelfs bereid is (zolang hij op het standpunt van de natuur staat) al het andere hiervoor op te offeren, bereid is om de wereld te vernietigen, alleen maar om zijn eigen ik, deze druppel in de oceaan, iets langer in stand te houden.
    Zijn dochtertje was het middelpunt van zijn leven.

Etymologie

* In de betekenis van ‘centrum’ voor het eerst aangetroffen in 1500

Vertalingen

Engelscenter, centre
Franscentre
DuitsZentrum
Spaanscentro
Zweedsmittpunkt