mijmeraar
mannelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- iemand die zwaarmoedig peinst, droomt of denktDaar staan we, met een spuitbus en zacht lapje aan het begin van honderd meter ramen. We kennen al snel de plekken: boven banken de vette haarafdruk van mijmeraars, op schuifdeuren de vingerafdrukken van ongeduldige duwers. We zien onszelf weerspiegeld tegen de donkere nacht, onze wallen allengs scherper afgetekend. Maar hoe goed we ook poetsen, zichtbaar voor anderen worden we niet. Niemand weet van ons bestaan. Denken ze morgen dat de kaboutertjes het hebben gedaan? NRC Mickelle HaestGreetje de Graaff 27 januari 2007 [https://www.nrc.nl/nieuws/2007/01/27/haest-en-de-graaff-maken-hun-handen-vuil-11266747-a775266 Haest en De Graaff maken hun handen vuil]Mijmeraar met maniertjes: Bril, die met zijn open overhemd, zonnebril op voorhoofd, en verweerde, knappe gezicht oogt als een rockzanger op leeftijd, slentert dagelijks in het ochtendgloren door de Amsterdamse binnenstad. Zijn observaties tekent hij op in mijmerige, poëtische miniatuurtjes; meestal stemmig en raak, soms saai en ontsierd door maniertjes, als zijn stopwoordje: `enfin'. NRC Wilfred Takken 1 september 2001 [https://www.nrc.nl/nieuws/2001/09/01/mijmeraar-met-maniertjes-7555390-a617328 Mijmeraar met maniertjes]
Etymologie
* van mijmeren
Vertalingen
Engelsmuser, dreamer, day-dreamer
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek