minderheid

vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een groep die binnen een groter geheel in aantal minder dan de helft uitmaakt
    Een minderheid wordt soms gediscrimineerd of zelfs vervolgd.
    Volgens de Twentse pastoor onderscheidt de christelijke gemeenschap op Sri Lanka zich door hun sterk verzoenende houding jegens andere religies. „Ze vormen slechts een kleine minderheid, - zo’n zeven procent van de bevolking- maar zijn zeer verdraagzaam. Zo heb ik het meegemaakt dat tijdens een misviering de buren van het boeddhistische gebedshuis opzettelijk lawaai begonnen te maken om het geluid van biddende christenen te overstemmen. Ik heb bewondering voor hun lankmoedigheid.” Tubantia Herman Haverkate 21-04-19 [https://www.tubantia.nl/regio/twentse-pastoor-marc-oortman-leeft-mee-met-zijn-vrienden-op-sri-lanka~a187f4de/ Twentse pastoor Marc Oortman leeft mee met zijn vrienden op Sri Lanka]

Etymologie

*Afgeleid van minder .

Uitdrukkingen

  • Het moeten afleggen tegen een meerderheid

Vertalingen

Engelsminority
Fransminorité
DuitsMinderheit, Minderzahl, Minorität
Spaansminoría, minoridad
Italiaansminoranza
Portugeesminoria
Poolsmniejszość
Zweedsminoritet