minister
mannelijk (de)/ˈminɪstər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (regering) (beroep) een persoon die deelneemt aan de regering van een landDe Tweede Kamer is bezorgd over het nieuws dat de Turkse regering weekendscholen wil financieren in Nederland. De VVD en de SP hebben Kamervragen gesteld aan minister Wouter Koolmees van Sociale Zaken. Diens ministerie laat weten het Turkse initiatief niet als een probleem te zien. Tubantia 10-08-18 [https://www.tubantia.nl/binnenland/zorgen-in-tweede-kamer-over-turkse-scholen-in-nederland~a75909fd/ Zorgen in Tweede Kamer over Turkse scholen in Nederland]Ze heeft vele mooie herinneringen aan hem en toonde ons wel eens vol trots krantenartikelen en foto’s uit de tijd dat hij Minister van Oorlog en Marine was, tussen 1948 en 1950.
- (religie) (verouderd) assistent of helper in de kerk
- (pregnant) (verouderd) voogd of geestelijk bestuurder van een klooster
Etymologie
* [2] Van Latijn "minister" “dienaar”.
Vertalingen
Engelsminister
Fransministre
DuitsMinister
Spaansministro
Italiaansministro
Portugeesministro
Japans大臣
Poolsminister
Zweedsminister
Deensgesandt
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek