mispeer

mannelijk/vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een grote blunder
    Tijdens het WK 2002 vloog de ploeg er nog uit tegen Brazilië na arbitrale dwalingen. Maar toen was België in de ogen van de wereld een veel kleiner voetballand dan nu het geval is. Het mislukte EK 2016 met de mispeer tegen Wales heeft de ploeg rijper gemaakt, onder het bewind van Martínez zijn de Belgen volwassen geworden. De wereldtitel lonkt.
    Raadsleden van linkse partijen vinden de reis niet uit te leggen. SP-raadslid Erik Flentge noemt het 'een mispeer van jewelste'. "Er is een lerarentekort, docenten komen terecht in actie tegen de verschraling in het onderwijs, dan is zo'n reis misplaatst."
    Maar het was de laatste echte technische mispeer van Renault.