fout

vrouwelijk (de)/fɑut/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vergissing, onjuistheid
    Het is niet mijn fout dat het snel gaat regenen.

Etymologie

#(geschiedenis) aan de kant van de asmogendheden in de Tweede Wereldoorlog

Vertalingen

Engelserroneous, incorrect, mistaken
Fransfaute
DuitsFehler
Spaansfalso, malo, falta
Portugeeserro
Russischошибка
Poolsbłąd
Zweedsfel, misstag
Deensfejl