modem
/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (elektronica), (communicatie) in- of extern apparaat dat digitale signalen omzet in analoge (moduleert) en vice versa bij ontvangst reconstrueert (demoduleert), zodat computers over telefoonlijnen met elkaar kunnen communiceren
Etymologie
* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘toestel t.b.v. telefoonaansluitingen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1973
Vertalingen
Spaansmódem
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek