modus
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- wijze, manier
- (grammatica) grammaticale categorie waarmee de relatie wordt aangegeven tussen een werkwoord en de werkelijkheid
- (filosofie) hoedanigheid, toestand of wijziging van iets
- (informatica) een 'toestand' waarin een computerprogramma of gebruikersinterface zich kan bevinden
- (juridisch) last, verplichting
- (muziek) toonladder als schema voor de vorming van een melodie
- (statistiek) binnen een frequentieverdeling van een statistische variabele de waarde of klasse met de grootste frequentie
Etymologie
* Leenwoord uit Latijn modus ‘maatstaf, het maat houden; wijze, manier’.
Vertalingen
Spaansmodo
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek