moed

mannelijk (de)/mut/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. dapperheid, lef, branie
    De moed zakte in zijn schoenen toen hij die wankele brug zag.
    Nu begint de moed weg te zakken, en ze durft niet bij de vrouw binnen te vallen.
    Ze dreigt de moed te verliezen.
  2. inborst, stemming, gemoed
    In goede moed ging hij uit fietsen.
  3. vertrouwen op een goede afloop
    De atlete had er nogal moed op; een podiumplaats lag binnen haar mogelijkheden.

Etymologie

* In de betekenis van ‘flinkheid’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1351

Uitdrukkingen

  • de moed opgevende hoop verliezen
  • de moed erin houdenblijven hopen
  • de moed zakt me in de schoenenheel bang worden, alle hoop verliezen

Vertalingen

Engelscourage, mood
Franscourage, humeur
DuitsMut
Spaansvalor, coraje, valentía
Japans勇気
Poolsodwaga
Zweedsmod