moederkoek

mannelijk (de)/ˈmudər.kuk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. anatomie (anatomie) orgaan bestaande uit baarmoederslijmvlies en embryoblaasje dat zorgt voor de uitwisseling van voedingsstoffen, zuurstof en afvalstoffen tussen moeder en ongeboren kind
    Het ongeboren kind is met de navelstreng verbonden met de moederkoek.

Etymologie

* Leenvertaling van Duits "Mutterkuchen" (als vertaling van Latijn "placenta"). In de betekenis van ‘nageboorte’ voor het eerst aangetroffen in 1770.

Vertalingen

DuitsMutterkuchen
Poolsłożysko
Zweedsmoderkaka
Deensmoderkage