mok
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈmɔk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (gereedschap) (huishouden) een (stenen) drinkbeker, meestal voorzien van een oorIk drink graag koffie uit een mok.
- (diergeneeskunde) een verzamelnaam voor verschillende vormen van huidirritaties en -ontstekingen aan de onderbenen van een paard, voornamelijk in de kootholte
- (afkorting) afkorting voor moeilijk opvoedbaar kind
Etymologie
* In de betekenis van ‘kroes’ voor het eerst aangetroffen in 1611
Vertalingen
Engelsmug
Franstasse
DuitsMauke
Zweedsmugg, mugg
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek