mok

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈmɔk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. gereedschap, huishouden (gereedschap) (huishouden) een (stenen) drinkbeker, meestal voorzien van een oor
    Ik drink graag koffie uit een mok.
  2. diergeneeskunde (diergeneeskunde) een verzamelnaam voor verschillende vormen van huidirritaties en -ontstekingen aan de onderbenen van een paard, voornamelijk in de kootholte
  3. afkorting (afkorting) afkorting voor moeilijk opvoedbaar kind

Etymologie

* In de betekenis van ‘kroes’ voor het eerst aangetroffen in 1611

Vertalingen

Engelsmug
Franstasse
DuitsMauke
Zweedsmugg, mugg