mond

mannelijk (de)/mɔnt/

Wat is de betekenis van mond?

mond betekent: (anatomie) ingang van het spijsverteringskanaal, hoofdzakelijk gezegd van dit orgaan bij mensen; zowel voor de ingang zelf als de achterliggende holte gebruikt

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. anatomie (anatomie) ingang van het spijsverteringskanaal, hoofdzakelijk gezegd van dit orgaan bij mensen; zowel voor de ingang zelf als de achterliggende holte gebruikt
  2. figuurlijk (figuurlijk) opening of ingang van iets
  3. figuurlijk, waterbeheer (figuurlijk), (waterbeheer) overgang waar een kleiner water in een groter water uitstroomt

Voorbeelden van "mond" in een zin

  • Voedsel dat we eten, gaat via de mond en de slokdarm naar de maag.
  • Iemand?' 'Dat je nooit je hand in de mond van een vis of elk ander roofdier moet steken,' mompelt Gijs met volle mond.
  • De mond van het kanon was met een extra band rondom verstevigd.
  • Ze liepen langs de kust tot ze bij de mond van een rivier kwamen.

Etymologie

*(erfwoord) via Middelnederlands "mont" van , in de betekenis van ‘holte achter de lippen’ voor het eerst aangetroffen in 698; cognaat met "mund", "mūth", "mūð" en "munþs"

Uitdrukkingen

  • Bij monde vanIn een boodschap overgebracht door, via|t=z|n=1
  • De mond openenSpreken|t=z|n=1
  • Doe dan je mond open!Zeg dan iets! (Als dwingend verzoek)|t=z|n=1
  • Een mond als een schuurdeur hebbenEen bijzonder grote mond hebben|t=z|n=1
  • Een grote mond gevenOnbeschoft toespreken|t=z|n=1
  • Geen blad voor de mond nemenRonduit de eigen mening over iets zeggen|t=z|n=1
  • Er de mond vol van hebbenEr veel over praten|t=z|n=1
  • Iemand de mond snoerenIemand beletten verder te praten zodat die niet zijn mening kan geven e.d. (zie ook monddood)|t=z|n=1

Vertalingen

Engelsmouth, aperture, opening
Fransbouche
DuitsMund
Spaansboca, desembocadura
Italiaansbocca
Portugeesboca
Russischрoт
Chinees嘴, 口
Japans
Turksağız
Poolsusta
Zweedsmun