motorrijtuig

onzijdig (het)/ˈmotɔˌrɛitœyx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verkeer (verkeer) volgens de definitie van de Nederlandse Wegenverkeerswet: door een motor voortbewogen, niet langs rails geleid voertuig
    Voorbeelden van motorrijtuigen: auto, motorfiets, bus, trekker, bromfiets, scooter
  2. spoorwegen (spoorwegen) spoorvoertuig voor het vervoer van reizigers of post dat zichzelf, zonder aan andere voertuigen vastgekoppeld te zijn, kan voortbewogen

Etymologie

* In de betekenis van ‘officiële benaming voor auto's en motorfietsen’ voor het eerst aangetroffen in 1905

Vertalingen

Engelsrailcar
DuitsTriebwagen
Spaansvehículo de motor, vehículo a motor