motorruimte

vrouwelijk (de)/ˈmotɔˌrœymtə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. techniek, verkeer (techniek) (verkeer) deel van een voertuig dat is afgescheiden, bestemd voor de aandrijving
    Door de enorme afstand tussen motorruimte en bestuurder lijkt de motor zich buiten de auto te bevinden, alsof voor het stoplicht naast je een op dezelfde afknijpprocedure getrakteerde BMW zacht proletarisch met je meerouwt.
    Het asbest werd aangetroffen in beugels waarmee de alarmsystemen in de motorruimte zijn vastgezet zijn. In totaal gaat het om 220 beugels per vliegtuig.