Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.

naaktzadigen

/naktˈsadəɣə(n)/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. (infra-)klasse
    Daarmee is de nieuwste Heukels’ – van de hand van Leni Duistermaat, onderzoeker bij Naturalis – de meest volledige versie van de afgelopen decennia. (…) Aan de zijkant is in bruine, paarse en groene tabs de onderverdeling in onder andere naaktzadigen, bedektzadigen en tweezaadlobbigen te zien.
    Ook gebruikten de vlinders hun snuit vermoedelijk om suikerrijke vloeistoffen te halen bij de naaktzadigen, een destijds wijdverspreide plantengroep waartoe coniferen en ginkgo’s behoren. Naaktzadigen hebben geen nectar, maar wel pollinatiedruppels: zoete, plakkerige druppels vocht.

Etymologie

**[2] leenvertaling van Neolatijn "gymnospermae", gevormd uit "γυμνός" (gumnós) "naakt" en "σπέρμα" (spérma) "zaad"