naald
mannelijk/vrouwelijk (de)/nalt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (gereedschap) soort gereedschap dat gebruikt wordt voor het aan elkaar bevestigen (naaien) van kledingstukken of andere voorwerpen van stof, zoals leer
- (techniek) wijzer van een instrument: kompas, weegschaal enz.
- (elektronica) aftaster van een grammofoon
- (medisch) deel van een injectiespuit
- lang en slank gedenkteken bijvoorbeeld een obelisk
- (bouwkunde) aanslaglijst van een deur of raam, ook wel tong- of stolpnaald genoemd
- lang, slank en stijf blad van sommige coniferen
Etymologie
* In de betekenis van ‘dunne stift om te naaien’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1156
Uitdrukkingen
- zoeken naar een naald in een hooiberg — Iets zoeken dat vrijwel niet te vinden is; een onmogelijke taak proberen uit te voeren
- Door het oog van de naald kruipen — Ternauwernood aan een gevaar ontsnappen
- Heet van de naald zijn — Direct iets doorvertellen; nog heel nieuw zijn (bijv. van nieuws)
Vertalingen
Engelsneedle
Fransaiguille
DuitsNadel
Spaansaguja
Italiaansago
Japans針
Poolsigła
Zweedsnål
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek