naamgeefster

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vrouw naar wie iets vernoemd is
    'Buiten in de zon staat op een grasveldje het borstbeeld van de naamgeefster van het gehucht: de negentienjarige oorlogsheldin Tatjana Kostyrina, die zich in 1943 voor het moederland heeft opgeofferd in de strijd tegen de 'Duitse fascisten'.
    Reidinga kreeg de prijs, een penning, uitgereikt in de Stadsschouwburg Utrecht na het spelen van de voorstelling Augustus: Oklahoma. Hij werd haar overhandigd door Petra Laseur, de dochter van de naamgeefster van de prijs.

Etymologie

* van naamgeven