naam

mannelijk (de)/nam/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kort stukje tekst dat een persoon, instelling of object kan benoemen
    Ik had geen trail name want die verzin je niet zelf, die krijg je op de trail van een mede-hiker. Misschien was dit dan het moment, dus ik vroeg Savage of hij mij een naam kon geven.
    De jongen naast me deed zijn koplamp aan waardoor de in de muur gekraste namen zichtbaar werden: hier waren al eerder mensen gestrand.
  2. bekendheid, reputatie

Etymologie

*(erfwoord) via Middelnederlands "name" van Oudnederlands "namo" dat terug gaat op Germaans *namon van het Proto-Indo-Europees *h₁nḗh₃mn̥ (naam); in de betekenis van ‘woord waarmee iem. of iets wordt aangeduid’ aangetroffen vanaf de 10e eeuw

Uitdrukkingen

  • met naam en toenaam
  • naam en faam
  • naam met scharnieren (een uitgebreide meest adellijke naam)
  • :Jan Vermast van Gelderzande tot Machelen
  • Die de naam heeft van vroeg op te staan, komt nooit te laatStoett-2483 [https://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01/stoe002nede01_01_2601.phpv2483 www.dbnl.org]
  • Een goede naam is beter dan olieStoett-1595 [https://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01/stoe002nede01_01_1645.phpv1595 www.dbnl.org]
  • Geen naam mogen hebbenniets te betekenen zijn
  • Gekken en dwazen schrijven hun namen op muren (of deuren) en glazenmensen die het minst te melden hebben, schreeuwen vaak het hardst

Vertalingen

Engelsname, reputation
Fransnom, nom
DuitsName, Name, Ruf
Spaansnombre, denominación, fama
Italiaansnome, fama, riputazione
Portugeesnome, nome, fama
Russischимя, имя, имена
Chinees名, 名字
Japans名前, 評判
Koreaans이름, 평판, 명성
Arabischاِسْم, أسْمَاء, اشتهار
Turksad, isim, nam
Poolsimię, reputacja, sława
Zweedsnamn, namn
Deensnavn