nabob
mannelijk (de)/ˈnabɔp/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (geschiedenis) onderkoning in het rijk van de MogolsOp een van zijn avontuurlijke reizen is Baron von Münchhausen de gast van een nabob.
- (figuurlijk) (Nederland) iemand die rijk is geworden in Nederlands-IndiëVooral hun sporen zullen we dit jaar zien op de grotere tentoonstellingen: de Japanse kamerschermen, het Chine de Commande, de sitsen beddespreien en japonse rokken, die men kon aantreffen in de huizen van de Nederlandse nabobs die het hadden gemaakt.
- (figuurlijk) iemand die heel rijk of machtig isIk, een nabob uit het rijke noorden die nee zou zeggen tegen dit kind? Geen sprake van. Welk opperwezen dan ook zou me later voor die hardvochtigheid straffen. Voor een euro kocht ik een pakje.
Etymologie
*van "nabob"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek