nachtwacht
vrouwelijk (de)/ˈnɑxtwɑxt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (m) nachtwachterDe nachtwacht liep ieder uur zijn ronde door de stad.
- (f) / (m) bewaking in de nacht, de groep van nachtwachtersDe nachtwacht is geregeld via een dienstschema.
Vertalingen
Engelswatchman
Spaanssereno
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek