nachtwacht

vrouwelijk (de)/ˈnɑxtwɑxt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. (m) nachtwachter
    De nachtwacht liep ieder uur zijn ronde door de stad.
  2. (f) / (m) bewaking in de nacht, de groep van nachtwachters
    De nachtwacht is geregeld via een dienstschema.

Vertalingen

Engelswatchman
Spaanssereno