naffer

mannelijk (de)/ˈnɑfər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. pejoratief (pejoratief) jonge crimineel van een Noord-Afrika afkomst
    Bij een bankje hangt een groep jongens van Noord-Afrikaanse afkomst, naffers zouden ze zeggen in Amsterdam. Als ze me zien aankomen, blokkeert een van hen mijn weg, provocerende blik, handen losjes in de zakken van een leren jack.

Etymologie

*afgeleid van een bij de politie gangbare (verkorting) van Noord-Afrikaan