nagel

mannelijk (de)/ˈnaɣəl/

Wat is de betekenis van nagel?

nagel betekent: (anatomie) dunne, doorzichtige plaat van harde keratine op de bovenkant van vinger- en teentoppen van mensen en primaten

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. anatomie (anatomie) dunne, doorzichtige plaat van harde keratine op de bovenkant van vinger- en teentoppen van mensen en primaten
  2. afdruk van een nagel
  3. techniek (techniek) spijker [1] (meestal met een kleine kop)
  4. (verkorting van) kruidnagel
  5. smalle onderste gedeelte van een bloemblaadje

Betekenis en uitleg van nagel

Een nagel is een harde, hoornachtige structuur die zich aan de toppen van de vingers en tenen bevindt. Het beschermt de gevoelige huid eronder en helpt bij het grijpen van voorwerpen.

Het woord 'nagel' wordt vaak gebruikt in zowel dagelijkse gesprekken als in specifieke contexten, zoals manicure en pedicure. Mensen letten vaak op hun nagels als het gaat om persoonlijke verzorging, en een gezonde nagel kan een teken zijn van een goede gezondheid. Ook kan de verzorging van nagels een creatieve uitlaatklep zijn voor velen, zoals het lakken of versieren ervan.

Voorbeelden

  • Ze heeft haar nagels onlangs gelakt in een mooie, heldere kleur.
  • Na een lange dag werken, merkte hij dat zijn nagels een beetje waren afgebroken.
  • Tijdens de manicure vertelde de schoonheidsspecialiste dat sterke nagels belangrijk zijn voor een goede grip.

Woordoorsprong

Het woord 'nagel' komt uit het Oudnederlands 'nagila', wat 'harde uitgroei' betekent. Dit sluit aan bij verwante woorden in andere Germaanse talen die een soortgelijke betekenis hebben.

Veelgestelde vragen over nagel

Wat is de betekenis van nagel?

nagel betekent: (anatomie) dunne, doorzichtige plaat van harde keratine op de bovenkant van vinger- en teentoppen van mensen en primaten

Hoeveel betekenissen heeft nagel?

nagel heeft 5 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.

Welk woordgeslacht heeft nagel?

nagel is een mannelijk (de).

Etymologie

* (erfwoord): Middelnederlands nāghel ‘nagel; pin, spijker; kruidnagel, gewichtssoort’, ontwikkeld uit Oergermaans *naglaz ‘vinger- of teennagel’, bij Indo-Europees *h₃nogʰ-, waartoe ook Latijn unguis ‘nagel, klauw’, Litouws nagà ‘hoef’, nãgas ‘voet’ en Russisch nogá ‘voet, been’ behoren. Evenals Hoog- en Nederduits Nagel, Fries neil en Deens negl.

Uitdrukkingen

  • geen nagel meer hebben om zijn kont te krabbenarm zijn
  • iemand het bloed onder de nagels vandaan haleniemand heel erg tergen
  • op zijn nagels bijtenuiting van zenuwachtigheid of diep nadenken

Vertalingen

Engelsnail, nail
Fransongle, clou
DuitsNagel, Nagel, Stift
Spaansuña
Italiaansunghia, chiodo
Portugeesunha, prego
Russischноготь
Arabischظُفْر
Turkstırnak
Poolspaznokieć, gwóźdź
Zweedsnagel, spik
Deensnegl