nagel

mannelijk (de)/ˈnaɣəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. anatomie (anatomie) dunne, doorzichtige plaat van harde keratine op de bovenkant van vinger- en teentoppen van mensen en primaten
  2. afdruk van een nagel
  3. techniek (techniek) spijker [1] (meestal met een kleine kop)
  4. (verkorting van) kruidnagel
  5. smalle onderste gedeelte van een bloemblaadje

Etymologie

* (erfwoord): Middelnederlands nāghel ‘nagel; pin, spijker; kruidnagel, gewichtssoort’, ontwikkeld uit Oergermaans *naglaz ‘vinger- of teennagel’, bij Indo-Europees *h₃nogʰ-, waartoe ook Latijn unguis ‘nagel, klauw’, Litouws nagà ‘hoef’, nãgas ‘voet’ en Russisch nogá ‘voet, been’ behoren. Evenals Hoog- en Nederduits Nagel, Fries neil en Deens negl.

Uitdrukkingen

  • geen nagel meer hebben om zijn kont te krabbenarm zijn
  • iemand het bloed onder de nagels vandaan haleniemand heel erg tergen
  • op zijn nagels bijtenuiting van zenuwachtigheid of diep nadenken

Vertalingen

Engelsnail, nail
Fransongle, clou
DuitsNagel, Nagel, Stift
Spaansuña
Italiaansunghia, chiodo
Portugeesunha, prego
Russischноготь
Arabischظُفْر
Turkstırnak
Poolspaznokieć, gwóźdź
Zweedsnagel, spik
Deensnegl