nagel
mannelijk (de)/ˈnaɣəl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (anatomie) dunne, doorzichtige plaat van harde keratine op de bovenkant van vinger- en teentoppen van mensen en primaten
- afdruk van een nagel
- (techniek) spijker [1] (meestal met een kleine kop)
- (verkorting van) kruidnagel
- smalle onderste gedeelte van een bloemblaadje
Etymologie
* (erfwoord): Middelnederlands nāghel ‘nagel; pin, spijker; kruidnagel, gewichtssoort’, ontwikkeld uit Oergermaans *naglaz ‘vinger- of teennagel’, bij Indo-Europees *h₃nogʰ-, waartoe ook Latijn unguis ‘nagel, klauw’, Litouws nagà ‘hoef’, nãgas ‘voet’ en Russisch nogá ‘voet, been’ behoren. Evenals Hoog- en Nederduits Nagel, Fries neil en Deens negl.
Uitdrukkingen
- geen nagel meer hebben om zijn kont te krabben — arm zijn
- iemand het bloed onder de nagels vandaan halen — iemand heel erg tergen
- op zijn nagels bijten — uiting van zenuwachtigheid of diep nadenken
Vertalingen
Engelsnail, nail
Fransongle, clou
DuitsNagel, Nagel, Stift
Spaansuña
Italiaansunghia, chiodo
Portugeesunha, prego
Russischноготь
Arabischظُفْر
Turkstırnak
Poolspaznokieć, gwóźdź
Zweedsnagel, spik
Deensnegl
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek