Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.
natuuropvatting
vrouwelijk (de)/naˈtyrɔpfɑtɪŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- manier waarop je aankijkt tegen het geheel van planten, dieren en hun leefomgeving voor zover die vanzelf ontwikkeltHoe die kaalslag in zijn werk gaat, biechtte per ongeluk een boer op in het artikel over de Twentse idylle. Die boer, Erwin Evers, vindt het gebied in de loop der jaren alleen maar mooier geworden. „Opener”, zegt hij. „De percelen zijn groter geworden, houtwallen verdwenen en je kunt verder weg kijken.” Ziedaar zijn natuuropvatting: recht zo die gaat.Twee jaar geleden schreef hij een mooie catalogusinleiding bij een tentoonstelling van schilderijen van Marian Plug. Op een even bevlogen als inzichtelijke wijze behandelde hij daarin haar landschappen, plaatste ze in de traditie van de romantische en symbolistische natuuropvatting, en verleende haar werk nog meer prestige door er hedendaagse grootheden als Kiefer en Armando bij te halen.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek