nemen

/ˈnemə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) iets vastpakken met de handen
    Wij nemen de de dozen uit de kast en zetten ze op tafel.
  2. veroveren
    Maar hij wantrouwde hem in de allereerste plaats. Omdat Pradelle van aanvallen hield. Stormenderhand nemen, bestormen, veroveren, hij deed niets liever. {{Aut|Lemaitre, Pierre
  3. gebruikmaken van
    De perrons zijn verlaten, in de hal zitten de reizigers op gepaste afstand van elkaar op de wachtbanken, die anders vol zijn. Deze hele week is het al rustiger dan normaal, maar deze vrijdag is het echt opvallend stil, zegt een NS-medewerker. Toch nemen ook nog aanzienlijk wat mensen wél de trein.
    Hij zei dat hij de tafel ging dekken, omdat ik de jarige job was, en terwijl hij ondertussen de oven voorverwarmde en op zoek ging naar vorken, nam ik de gelegenheid te baat om boven een kijkje te gaan nemen.

Etymologie

:Oost: : "niman"

Uitdrukkingen

  • bij de neus nemen
  • in acht nemen
  • in de boot nemen
  • in het ootje nemen
  • op de hak nemen
  • op de korrel nemen
  • op de schop nemen
  • poolshoogte nemen

Vertalingen

Engelstake
Fransprendre
Duitsnehmen, greifen, einziehen
Spaanstomar
Russischбрать, взять, хватать
Poolsbrać, wziąć
Zweedsfatta, gripa, ta