nervositeit
vrouwelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (medisch) zenuwachtigheidZe wachtten op het bevel tot de aanval, hun nervositeit was bijna voelbaar. {{Aut|Lemaitre, Pierre
Etymologie
*Van het Engelse nervosity of het Franse nervosité, van het Latijnse 'nervositas'
Vertalingen
Engelsnervousness
Spaansnerviosismo
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek