Net
onzijdig (het)/nɛt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een geheel van fijne draden, vaak gebruikt om dieren (m.n. vissen) te vangenDe vissers waren hun netten aan het boeten.
- samenstel van elkaar kruisende of snijdende lijnen, wegen enz.
- netwerk, stelsel van zaken, apparaten of personen die nauw met elkaar in contact staan
- (wiskunde) stelsel van krommen in het platte vlak, dat lineair afhangt van twee parameters
- (medisch) vetrijk vlies tussen buik en ingewanden
- internet
Etymologie
* In de betekenis van ‘visnet’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Uitdrukkingen
- achter het net vissen
- de vogel over het net laten vliegen
- door de mazen van het net kruipen
- wie 's nachts uit vissen gaat, moet overdag zijn netten drogen
- kraakzindelijk net
- het hoofd net boven water kunnen houden
Vertalingen
Engelsnet, net, network
Fransfilet, réseau, propre
Duitsgerade, eben, soeben
Spaansred
Poolssieć
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek