Net

onzijdig (het)/nɛt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een geheel van fijne draden, vaak gebruikt om dieren (m.n. vissen) te vangen
    De vissers waren hun netten aan het boeten.
  2. samenstel van elkaar kruisende of snijdende lijnen, wegen enz.
  3. netwerk, stelsel van zaken, apparaten of personen die nauw met elkaar in contact staan
  4. wiskunde (wiskunde) stelsel van krommen in het platte vlak, dat lineair afhangt van twee parameters
  5. medisch (medisch) vetrijk vlies tussen buik en ingewanden
  6. internet

Etymologie

* In de betekenis van ‘visnet’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240

Uitdrukkingen

  • achter het net vissen
  • de vogel over het net laten vliegen
  • door de mazen van het net kruipen
  • wie 's nachts uit vissen gaat, moet overdag zijn netten drogen
  • kraakzindelijk net
  • het hoofd net boven water kunnen houden

Vertalingen

Engelsnet, net, network
Fransfilet, réseau, propre
Duitsgerade, eben, soeben
Spaansred
Poolssieć