Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.

netvleugeligen

/nɛtˈfløɣələɣə(n)/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een orde van insecten die gekenmerkt worden door de dakpansgewijze vorm van de vleugels. De netvleugeligen hebben hun naam te danken aan de doorzichtige vleugels met een duidelijk zichtbare vleugeladering, in tegenstelling tot de meeste insecten. De grootvleugeligen () en de kameelhalsvliegen () delen dit kenmerk maar de netvleugeligen zijn te onderscheiden aan de aders die zich naar de vleugelrand toe vertakken
    Linnaeus rekende alle insecten met geaderde doorzichtige voor- en achtervleugels tot de netvleugeligen; dus ook de libellen en de kokerjuffers. Latere systematici hebben in deze groep orde op zaken gebracht. Op grond van onder andere de volkomen of onvolkomen gedaanteverandering werden de libellen en de kokerjuffers tot een aparte orde verheven.

Etymologie

*[2] gevormd naar het voorbeeld van andere ordes bij de insecten (zoals de vliesvleugeligen) uit "net", "vleugel" en de meervoudsuitgang -en, omdat het patroon van de aders in de vleugels aan een visnet doet denken