neusspiegel
mannelijk (de)/ˈnøspiɣəl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- vochtig, onbehaard deel van de bovenlip of snuit met daarin de neusgaten (zoals bij herkauwers en honden)De neusspiegel is goed ontwikkeld en de kleur ervan is bruin.
- (medisch) instrument waarmee de neusholte kan worden bekeken
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek