neut

vrouwelijk (de)/nøt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. glaasje sterke drank
    Hij had een paar neutjes op en toch klom hij achter het stuur.
  2. bouwkunde (bouwkunde) blokje van natuursteen of hout waarop een kozijnstijl rust
    De houten neuten waren totaal verrot en zouden vervangen moeten worden.
  3. bouwkunde (bouwkunde) uit een muur vooruitstekend deel waarop een balk kan rusten
    blokje of rol om het verschuiven van een samenstel van balken, ijzers of stukken hout te verhinderen
  4. techniek (techniek) uitstekend deel van een constructie
  5. klein (oud) vrouwtje

Etymologie

*[5] uit "neutken", vermoedelijk als aanduiding van een klein persoon

Vertalingen

Engelsplinth
Spaansmodillón