Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.

newspeak

mannelijk (de)/ˈɲuspiːk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. taalkunde (taalkunde) taal waarin nieuwe woorden worden samengesteld uit (delen van) oude woorden als onderdeel van nagestreefde veranderingen
    Genderspecifiek beleid is namelijk gewoon Haagse newspeak voor discriminatie die wel mag.
    De Rotterdamse roc’s willen fuseren om te ‘defuseren’? Zulke newspeak duidt op een eigen wereld met een eigen werkelijkheid.
  2. pejoratief, taalkunde (pejoratief), (taalkunde) taalgebruik waarin de betekenis van bepaalde woorden is aangepast om een politiek doel te dienen
    Het begrip ‘onveiligheid’ is in de context van Klavers brief ondraaglijke newspeak. De beschuldiging is altijd waar. Je hoeft niet aan te tonen waarom je je onveilig voelt, te zeggen dat je je zo voelt is genoeg.
    Ook huiszoekingen in verband met terrorismeonderzoek (‘visites’ in newspeak) kunnen voortaan zonder goedkeuring vooraf.

Etymologie

*Samenstelling van de Engelse woorden new en speak. Oorspronkelijk de benaming voor een door in de roman beschreven taal van een nieuw totalitair bewind

Vertalingen

Spaansneolengua, nuevahabla