Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.
nieze
onzijdig (het)/ˈnizə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (straattaal) (verouderd) vrouw of meisje(fonetische weergave straattaal) En dit ééne nieze — we zain toch meissies onder mekaar wat? — dat nieze zong fijn.
- (straattaal) (pejoratief) wijf, hoerArie leeft zijn leven van het ene "nieze" naar het andere "mokkel", al dan niet in volslagen dronkenschap, verkoopt iemand spontaan een "pompie" of "verandert een kop", en doet overigens keurig zijn werk als haringverkoper, inbreker of in een soortgelijke baan.(fonetische weergave straattaal) ‘Laat 'm met vree, jullie!’ kwam Arentje weer tussenbeie, liep op me toe, drukte me in de riete stoel achter tafel en ging met gekruiste arme op de leuning zitte.‘Waar bemoei ie je mee!’ raasde Gniffie opstuivend. ‘Die wijve, dat zal de pest krijge.... De hele zaak is al versliegerd! Dondersteen nou gauw de kamer uit!’Arentje bleef rustig zitte, keek van Stompie naar Loek en van Loek naar Gniffie, die zn kin liet hange van verbazing: ‘Dat heb ik nog niet meegemaakt, zo'n nieze!’
Etymologie
*: "nies" met de uitgang -e, waarbij de sisklank weer stemhebbend wordt
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek