noemen

/ˈnumə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) met een naam aanduiden
    Hoe noem je zo'n plant?
    Al dat eten stuurde ik vervolgens in zeven verschillende postdozen naar mezelf vooruit, omdat de trail alleen maar door de wildernis trok en de voedselprijzen erg hoog waren in de gehuchten waar ik af en toe langs zou komen. Ik had verschillende postadressen gevonden van afgelegen boerderijen, hostels en postbussen die op een paar kilometer van de trail lagen. Dit ingewikkelde, logistieke gebeuren werd resupply genoemd.
    Ik liep als het ware met een rasp in mijn achterste (chafing noemen ze dat in Amerika) wat verschrikkelijk veel pijn deed, het was alsof ik in brand stond.
  2. ov (ov) vermelden door het uitspreken van de naam
    In het bijzonder zou ik Jacob willen noemen, die zich afgelopen jaar ongelooflijk hard voor ons heeft ingezet.
  3. informeel, copl (België) (informeel) (copl) heten, een bepaalde naam hebben [https://www.taaltelefoon.be/noemen-heten noemen / heten op website Vlaamse overheid: taaltelefoon.be]; geraadpleegd 2017-06-28
    Hoe noemt gij?

Etymologie

*van Middelnederlands "noemen", in de betekenis van ‘een naam geven’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1249

Uitdrukkingen

  • een kat een kat noemen
  • man en paard noemen

Vertalingen

Engelscall, name, mention
Fransappeler, citer
Duitsnennen, nennen
Spaansapellidar, denominar
Zweedsnämna, nämna