noot

mannelijk/vrouwelijk (de)/not/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kookkunst, voeding (kookkunst) (voeding) iedere grote, oliehoudende vrucht (of het zaad ervan) met een pit in een al dan niet harde schaal en die in voedsel wordt gebruikt
    Zo zat er in elke doos ontbijt, lunch en avondeten, maar ook al mijn snacks, repen en noten voor onderweg en papieren landkaarten voor de volgende etappe, nieuw wc-papier en om de 700 kilometer een paar nieuwe schoenen.
  2. droge, niet-openspringende, eenzadige, enkelvoudige boomvrucht met verhoute vruchtwand; echte noot
    Beuken en hazelaars brengen noten voort.
  3. muziek (muziek) een schriftteken voor een geluid van zekere tijdsduur en toonhoogte, een muzieknoot
    In maat twintig verslikte de zangeres zich in al die snelle nootjes.
    Non, je ne regrette rien. Haar stem ging door merg en been. Nog nooit had ik een versie gehoord van dit chanson waar geen enkele noot de juiste was. {{Aut|Sandes, David
  4. aantekening onder of achter een tekst, een voetnoot

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘aantekening’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240

Uitdrukkingen

  • [2] Een harde noot krakenDingen bespreken die moeilijk liggen / Een moeilijke beslissing nemen / Een moeilijk karwei doen
  • [3] Veel noten op zijn zang hebbenVeel drukte maken / Veel praatjes over iets hebben

Vertalingen

Engelsnut, nut, note
Fransnoix, fruit à coque, note
DuitsNuss, Nussfrucht, Note
Spaansnuez
Italiaansfrutto a guscio
Poolsorzech