nostalgicus

mannelijk (de)/nɔsˈtɑlɣiˌkʏs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. persoon die verlangt naar het herstel van het verleden; persoon die het verleden verheerlijkt; persoon die heimwee heeft naar het verleden
    Als Kron daarop wees, werd hij een hopeloze nostalgicus genoemd en zakte zijn dochter Kathrin door de grond van schaamte.

Etymologie

*afleiding van nostalgie