novum

onzijdig (het)/novʏm/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iets nieuws
  2. juridisch (juridisch) voor het eerst in cassatie opgeworpen bedenking
  3. juridisch (juridisch) nieuwe feiten en/of omstandigheden op grond waarvan kan worden teruggekomen op een zaak, in afwijking van het ne bis in idem-beginsel
  4. juridisch (juridisch) het nieuwe element van een vernieuwde rechtsverhouding of verbintenis in het kader van een novatie

Etymologie

* Leenwoord uit Latijn novum ‘iets nieuws’, onzijdige vorm van "novus" ‘nieuw’.