nozem
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (cultuur) zelfbewuste, stoer geklede, van vetkuif en buikschuiver voorziene branieschopper (uit de jaren vijftig/zestig)Het was vrijwel onmogelijk om eraan te komen, slechts enkele nozems lukte dat op een of andere manier.
- (bij uitbreiding), (pejoratief) iemand die blijk geeft van provocatief gedrag, ± probleemjongere
- (pejoratief) onwetende snotneus, groentjeHij is toch maar een nozem.
- (pejoratief) iemand met meer spieren dan hersenenWat een domme nozem.
Etymologie
* In de betekenis van ‘branieschopper’ voor het eerst aangetroffen in 1955
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek