nozem

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. cultuur (cultuur) zelfbewuste, stoer geklede, van vetkuif en buikschuiver voorziene branieschopper (uit de jaren vijftig/zestig)
    Het was vrijwel onmogelijk om eraan te komen, slechts enkele nozems lukte dat op een of andere manier.
  2. pejoratief (bij uitbreiding), (pejoratief) iemand die blijk geeft van provocatief gedrag, ± probleemjongere
  3. pejoratief (pejoratief) onwetende snotneus, groentje
    Hij is toch maar een nozem.
  4. pejoratief (pejoratief) iemand met meer spieren dan hersenen
    Wat een domme nozem.

Etymologie

* In de betekenis van ‘branieschopper’ voor het eerst aangetroffen in 1955