nukkigheid
vrouwelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het grillig en chagrijnig zijnMary wilde zo graag het vergrootglas zelf gebruiken dat ze haar nukkigheid liet varen en naast lord Henley bleef rondhangen.Andere Tijden Sport verhaalt over zijn onzekerheid, zijn nukkigheid, over zijn botsingen met coach Rinus Michels en over zijn haat-liefdeverhouding met Johan Cruijff.
- iets wat past bij een grillige en chagrijnige stemming
Etymologie
* afleiding van nukkig
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek