nummer

onzijdig (het)/ˈnʏmər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een aanduiding met een getal
    Op nummer één, met stip: betere gezinsplanning, in combinatie met meer onderwijs voor meisjes.
    Op 1 februari 1939 was Pieter de Haan ingelijfd als gewoon dienstplichtige van de lichting 1939 uit de gemeente Bleskensgraaf en Hofwegen onder nummer 3, bestemd voor het oefeningsdetachement voor de school reserveofficieren.
  2. lied
    Op zijn nieuwe album staat voor het eerst een Engelstalig nummer.
    Met elk drankje voelde ik me meer op mijn gemak en begon luidkeels mee te zingen met de bekende nummers die de band speelde.
  3. verkorting van telefoonnummer
    Kan ik jouw nummer eventueel doorgeven aan het castingbureau? Jouw provider doet het beter dan die van mij.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘cijfer’ voor het eerst aangetroffen in 1350

Uitdrukkingen

  • Op zijn nummer zettenzeer duidelijk maken dat iets erg ongewenst is

Vertalingen

Engelsnumber, digit
Fransnuméro
DuitsNummer
Spaansnúmero
Russischномер
Poolsnumer, liczba