octaaf
/ɔkˈtaf/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (muziek) de achtste trap van een diatonische toonladder
- (muziek) het interval tussen twee tonen, waarvoor geldt dat de frequentie van de tweede toon precies het dubbele, of de helft, is van die van de eersteHet octaaf is een perfect consonant interval.
- (muziek) een reeks van twaalf tonen van “c” tot en met “b”Van de dirigent moet hij het motiefje een octaaf hoger spelen.
- (letterkunde) gedicht van acht versregels
- (religie) een periode van acht dagen waarmee de viering van een hoogfeest kan worden verlengd
Etymologie
* uit het Latijn "octavus" "achtste"
Uitdrukkingen
- rein octaaf — een octaaf zonder alteratie (twaalf halve toonafstanden)
- overmatig octaaf — halve toon ruimer dan een rein octaaf
- verminderd octaaf — halve toon krapper dan een rein octaaf
- decibel per octaaf — maat voor geluidsterkte per frequentieverdubbeling
Vertalingen
Engelsoctave
Fransoctave
DuitsOktave
Spaansoctava
Italiaansottava
Portugeesoitava
Zweedsoktav
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek