oeros

mannelijk (de)/ˈurɔs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. evenhoevigen (evenhoevigen) bepaald soort zoogdier, , de uitgestorven, ruige, langhoornige, wilde voorouder van het tamme huisrund die in de ijstijd in Europa, Noord-Afrika en West-Azië leefde
    Koning Clovis trachtte de oeros te beschermen.

Etymologie

* ooros, uuros, vyros van , in de betekenis van ‘uitgestorven wilde rundersoort’ aangetroffen vanaf 1518; op te vatten als leenvertaling, afgeleid van "os"

Vertalingen

Engelsaurochs, urus
Fransaurochs
DuitsAuerochse
Spaansuro
Italiaansuro
Portugeesuroque, auroque
Chinees原牛
Poolstur leśny
Zweedsuroxe