oestrus
mannelijk (de)/ˈøstrʏs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- vruchtbare periode van een vrouwelijk dier
- benaming voor vliegen uit het geslacht in de familie van de horzels
Etymologie
* uit het Latijn
Vertalingen
Engelsrutting period, state of being in heat
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek