oestrus

mannelijk (de)/ˈøstrʏs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vruchtbare periode van een vrouwelijk dier
  2. benaming voor vliegen uit het geslacht in de familie van de horzels

Etymologie

* uit het Latijn

Vertalingen

Engelsrutting period, state of being in heat