omgorden
/ɔmˈɣɔrdə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (refl) met een gordel omgeven, omringen, omdoen't Zijn vijftig jaren dan, sints met beschroomde stoutheiduw jonkheid zich omgordde, om de eêlste vrucht der oudheidaan d' Amsterl gâ te slaan met zijner zonen bloem, ...{{Aut|Isaäc Da CostaIk liet mijn blik waren over het landgoed dat het hotel omgordde.
werkwoord
- (ditr) omheen doenHij kreeg daarbij een sjerp omgegord.
Vertalingen
Fransceindre
Spaansceñir
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek