omkleden

/ˈɔmkledə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. refl (refl) zich ~ andere kleren aandoen.
    Hij heeft zich snel moeten omkleden.
werkwoord
  1. ov (ov) met redenen ~: voorzien van deugdelijke argumentatie.
    Hij omkleedde zijn verzoek met geldige redenen.
  2. ov (ov) omhullen

Vertalingen

Engelschange
Franschanger
Duitsumkleiden
Spaanscambiar