omkleden
/ˈɔmkledə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (refl) zich ~ andere kleren aandoen.Hij heeft zich snel moeten omkleden.
werkwoord
- (ov) met redenen ~: voorzien van deugdelijke argumentatie.Hij omkleedde zijn verzoek met geldige redenen.
- (ov) omhullen
Vertalingen
Engelschange
Franschanger
Duitsumkleiden
Spaanscambiar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek