omlijsting

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iets ter verfraaiing met iets moois omgeven
    Ze vergaten dat er aan haar angstige gezicht en haar voorkomen niets te veranderen viel, waardoor, hoe ze de omlijsting of versiering van het gezicht ook varieerden, het gezicht zelf deerniswekkend en lelijk bleef.
    Voor Jumbo-Visma, de sterrenformatie van onder anderen Tom Dumoulin, Primoz Roglic, Steven Kruijswijk, Wout van Aert en Dylan Groenewegen, biedt de nieuwe wielerkalender kansen om het seizoen alsnog een gouden omlijsting te geven.

Etymologie

* van omlijsten

Vertalingen

Engelssurround, cadre, framework