omnivoor
mannelijk (de)/ˌɔmniˈvor/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (dierkunde) alleseter, zowel plantaardig als dierlijk voedsel
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘alleseter’ voor het eerst aangetroffen in 1865
Vertalingen
Engelsomnivore
Fransomnivore
DuitsOmnivore
Spaansomnívoro
Turksomnivor
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek