omspeling

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de keer dat men iemand tijdens een balspel passeert
  2. het figureren van een melodie door deze te voorzien van extra hoger en/of lager gelegen noten voor de tijdsduur van de "reële" noten
    De koraalfinale over Psalm 68 begint met een verzadigde klank van achtvoetsregisters, met onder meer de prachtige Quintadeen 8’ van het rugwerk. Een uitkomende Trompet laat de melodie horen, gevolgd door een dartele omspeling met de Cornet. Dan een toccata die uitloopt op samenzang van twee verzen van de psalm.

Etymologie

* van omspelen