omvaart
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈɔmvart/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- tocht met een boot over het water via een omweg of langs de omtrek van een bepaald vasteland
Etymologie
* van "omvaren" (1), afgeleid van de stam "omvaar"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek