omvang
mannelijk (de)/ˈɔmvɑŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- omtrek, dikte
- grootte'Maar,' zegt Coyle, 'ook met die beperkte omvang hebben we al interessante resultaten geboekt.
- uitgestrektheid'Maar,' zegt Coyle, 'ook met die beperkte omvang hebben we al interessante resultaten geboekt.Door de vragen die Pamela me tijdens onze lunchpauzes stelde over het leven op Trinidad, ontdekte ik hoe weinig ze op school of daarna had geleerd over de omvang van het Britse Rijk.
- (muziek) de tonen die een stem of instrument kan voortbrengen, toonomvang
Vertalingen
Franscirconférence, taille, ampleur
Spaanscircunferencia, magnitud, volumen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek