onderrichten

/ˌɔndəˈrixtə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) onderwijzen
    De leerlingen worden momenteel onderricht door een stagiaire.
  2. ov (ov) informeren
    De boodschapper onderrichtte hem over de toestand in het buurland.

Etymologie

*van Middelnederlands "onderrichten", op te vatten als "iemand steunen door hem de goede richting te wijzen", aangetroffen vanaf 1447

Vertalingen

Engelsteach
Duitslehren
Spaansenseñar, culturizar