ongebondenheid

vrouwelijk (de)/ˌɔŋəˈbɔndə(n)ˌhɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. mate waarin men onafhankelijk is
  2. houding waarbij je weinig aandacht hebt voor de ernstige gevolgen van wat je doet
  3. blijk van onafhankelijkheid

Etymologie

* afleiding van ongebonden